Inleiding
Ik kan me geen geschikter Bijbelvers voor dit artikel indenken dan 1 Corinthiërs 12:25, waar Paulus schreef: “Opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen.”
Het is interessant en veelbetekenend dat de apostel Paulus deze aanwijzing geschreven heeft in het grote hoofdstuk over de gaven van de Geest. Hij maakt het duidelijk dat ook deze gaven aan iedere gelovige de mogelijkheid bieden iets voor anderen te betekenen, meer zelfs dan hij of zij van nature zou kunnen aanbieden.
Paulus wijst erop dat in het lichaam van Christus de zorg voor de ander iets is dat ieder lid van de gemeente aangaat. De in de wereld wijd verspreide houding van de moordenaar Kaïn mag nooit in de gemeente voorkomen. Genesis 4:9, ‘Toen zeide de HERE tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?” Er mag bij geen enkel gemeentelid onverschilligheid zijn ten aanzien van liefhebbende, opbouwende, ondersteunde interesse in- en zorg voor de ander.
Iemand moet zorg vrijwillig aanvaarden, gebaseerd op vertrouwen in de ander, zijn bekwaamheid en goede, integere bedoelingen. Uiteraard zijn de hier genoemde deugden niet altijd vanzelfsprekend of duidelijk en daarom zal de aanbieder van zorg eventuele vragen van de ontvanger niet uit de weg gaan. Het volgende beginsel dient in de gemeente van de Heer altijd gerespecteerd te worden:
Beginsel: In de gemeente van de Heer wordt zorg aangeboden, tot het ontvangen ervan is men echter niet verplicht.
Wordt men in een gemeente verplicht zich aan zorggesprekken te onderwerpen en ook min of meer gedwongen de aanwijzingen op te volgen, waarbij zelfs controle vanuit de leiding wordt ingebouwd, hetzij door de leider zelf of door hem daartoe aangestelde helpers, dan gaat deze gemeente kenmerken van een sekte aannemen. De menselijke vrijheid is ingeperkt en de leiding vertoont kenmerken van wereldse heerschappij. Lees 1 Petrus 5:3, “De oudsten onder u vermaan ik... hoedt de kudde van God... niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel is gevallen...”
Het aanbieden van zorg - argwaan en advies
Als men het moment aangebroken acht met een ander te spreken, zal men altijd met zeer veel wijsheid te werk dienen te gaan. Vooral in onze Nederlands cultuur is het gevoel van ‘ik kan m’n eigen boontjes’ doppen zeer sterk aanwezig. Deze ontwikkeling is ook goed voelbaar in gemeentewerk. Het komt steeds meer voor dat Christenen een regelmatig pastoraal bezoek argwanend tegemoet zien. Vragen, die soms wel eens eerlijk worden uitgesproken worden, zijn o.a.: “Wat komt hij - de voorganger, een oudste - doen, wat is er aan de hand, dat hij een afspraak maakt? Waar gaat hij zich mee bemoeien?” Deze houding heeft ongetwijfeld te maken met de toenemende individualisering in onze samenleving.
Het vervelende gevolg van bovenstaande instelling is dat men voor hulp pas aan de bel trekt, als men er echt niet meer uitkomt en vastzit. Een oplettende zielzorger zal echter de tekenen van een toenemende nood in iemand waarnemen, hetzij een innerlijk- of relationeel conflict, ziekte of door moeilijke omstandigheden, die gaan beklemmen. Preventieve zorg, een regelmatig openhartig gesprek kan hier een oplossing bieden, maar ook dit kan, indien het niet tot een wezenlijk dieptegesprek komt, niet altijd de gewenste resultaten opleveren. Ik moet hierbij denken aan het verschil tussen de Chinese kijk op gezondheidszorg en de westerse: De Chinezen stellen dat de dokter hen gezond moet houden, terwijl de westerse stelt dat de dokter hen gezond maakt.
Enkele woorden in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament worden enkele werkwoorden gebruikt, die verschillende aspecten van het zorgen voor elkaar beschrijven; ik noem de belangrijkste.
Toezien
Er op letten dat niemand
door valse filosofieën en hun bedrog wordt meegesleept.
Colossenzen 2:8, “Ziet
toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog
in overeenstemming met de overlevering van mensen....”
Er op letten dat niemand
in een harde, onchristelijke houding vervalt.
1 Thessalonicenzen 5:15,
“Ziet toe dat niemand kwaad met kwaad vergelde, maar jaagt ten allen tijde
het goede na, jegens elkander en jegens allen.”
Op zichzelf en de leer letten: 1 Timotheüs 4:16, “Ziet toe op uzelf en op de leer, volhard in deze dingen; want door dit te doen zult gij zowel uzelf als hen, die u horen, behouden. Het belang van goede onderwijzing wordt door Paulus hier benadrukt. De geestelijke voeding voor een Christen is het Woord van God; hoe zuiverder het is, hoe groter de voedingskwaliteit van het onderwijs.
Er op letten dat niemand
in boosheid blijft en afvalt van het geloof in God.
Hebreeën 3:12, “Ziet
toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door
af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks....”
In bovenstaande schriftgedeelten wordt het Griekse woord ‘blepô,’ gebruikt, dat gewoon ‘zien,’ ‘toezien,’ of ‘letten op,’ betekent.
Hoeden
In het Nieuwe Testament treffen wij ook het beeld aan van de herder en zijn schapen. De herder zorgt ervoor dat zijn kudde goede voeding vindt.
De oudsten hoeden de kudde
van God, hetgeen voeding met het Woord van God, vermaning en het scheppen
van gemeenschapsmogelijkheden omvat.
1 Petrus 5:1-4, “De oudsten
onder u vermaan ik dan als medeoudste.... hoedt de kudde van God......
als voorbeelden voor de kudde.” Hoeden is de vertaling van het Griekse
werkwoord ‘poimainô,’ dat beschermen, zorgen voor, naar de wei leiden,
voeden, hoeden en overzicht houden, kan betekenen.
Hoe groter de gemeente hoe groter de behoefte dat de zorg gestructureerd en gedelegeerd wordt. De vraag is dan: “Wie zorgt voor wie?” Het ligt voor de hand dat roeping, bekwaamheid, beschikbaarheid en ook afstand een rol spelen. Hoe dichter men bij elkaar woont, hoe gemakkelijker men elkaar kan ontmoeten en voor elkaar zorgen. In dit opzicht kunnen huiskringen in deze behoefte voorzien.
Vermanen
Vermanen is de vertaling van het Griekse woord ‘parakaleô.’ Het Griekse woord Parakletos dat vertaald is als ‘Trooster’, waarmee de Heilige Geest wordt bedoeld, komt van dezelfde stam. Trooster betekent in dit verband - zie Johannes hoofdstuk 14 - dat de Heilige Geest zij aan zij met ons wil gaan, zoals Christus optrok met zijn discipelen. Het werkwoord betekent dus soms - afhankelijk van het verband - zij aan zij met iemand gaan, hem te bemoedigen, te versterken, te corrigeren, te helpen en te onderwijzen.
Hier volgen enkele teksten uit het Nieuwe Testament, waarin het werkwoord voorkomt:
1 Thessalonicenzen 4:18,
“Vermaant elkander dagelijks...”
1 Thessalonicenzen 5:11.
“Vermaant daarom, elkander en bouwt elkander, gelijk gij dit ook doet.”
Vers 14, “Wij vermanen
u, broeders,
a. wijst de ongeregelden
terecht,
b. beurt de kleinmoedigen
op,
c. komt op voor
de zwakken,
d. hebt geduld
met allen.
e. Ziet toe dat
niemand kwaad met kwaad vergelde.”
Hebreeën 3:13, “Maar vermaant elkander dagelijks...”
Als wij de onderwijzingen van de apostelen samenvatten stellen we vast dat er een netwerk van herderlijke zorgzaamheid onder alle leden voor elkaar behoort te zijn, en dat leiders van de gemeente in verantwoordelijkheidsebesef en voorbeeldgedrag met betrekking tot waakzaamheid en zorg vooraan dienen te lopen.
De diakonale zorg
In Romeinen 12:6-8 letten we op ‘wie dient,’ en op ‘wie barmhartigheid bewijst.’ Het Griekse woord ‘diakonia’ wordt voor alle vormen van dienst of bediening gebruikt. Zelfs de apostelen noemden zichzelf dienstknechten, ‘diakonoi’ van Christus en zijn gemeente.
De apostelen stelden, samen met de gemeente, praktische helpers aan, die ‘diakonoi’ werden genoemd; zie Handelingen 6:3-6. In de oorspronkelijke gemeente was een diaken dus iemand, die een helpende, praktische functie had. Pas later ging de kerk het ambt van diaken instellen. In veel kerken zijn de diakenen degenen, die aangesteld zijn voor de financiën, hulp aan armen en noodlijdenden en voor praktische taken. Een ‘diakonos’ kan echter op gehele andere terreinen van praktische dienstbetoon werkzaam zijn en hij kan in zijn specifieke taak een bediening van de Heer hebben ontvangen. Ik noem bijv. de technische man, de drukker, de tekstcorrector, de administrateur, de muzikant, de boekhouder. Ook de vele helpers, technici en gespecialiseerde werkers in radio, tv en internet zijn in feite allen diakonaal bezig.
Met ‘wie barmhartigheid bewijst,’ worden gelovigen bedoeld, die een speciale bewogenheid hebben mensen met problemen of noden te helpen. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan hen, die door ziekte of rampspoed getroffen zijn of door fouten of zonde in ernstige moeilijkheden zijn geraakt. Zij tonen ontferming, met begrip en geduld en proberen altijd de lijdende mens er bovenop te helpen. Wij dienen niet te vergeten dat de zorg voor zieken, zoals wij die vandaag kennen, in de tijd toen het Nieuwe Testament geschreven werd, grotendeels niet bestond. De meeste genezingscentra waren toen verbonden met de occulte aanbidding van afgoden en mensenverering. Velen waren daarom geheel afhankelijkheid van de barmhartigheid en de ontferming van liefdevolle en hulpvaardige gelovigen.
Pastorale- en medische zorg
In deze tijd, waarin het aantal mensen dat dreigt te beschadigd te worden en zelfs te breken onder de vele lasten van het moderne, veeleisende en jachtige leven, neemt het aantal klachten, zowel lichamelijk, psychisch als geestelijk enorm toe. Het is ons allen bekend dat de wachtlijsten in de gezondheidszorg voor psychologische en psychiatrische hulp steeds langer worden. Deze klachten nemen ook toe in diagnostisch opzicht. Vanwege de gecompliceerdheid van op elkaar inwerkende negatieve factoren zijn er dikwijls meerdere oorzaken voor klachten en die zijn in de meeste gevallen niet gemakkelijk aan te wijzen.
Er behoeft geen concurrentie te zijn tussen enerzijds het gemeentepastoraat en anderzijds de klinisch-psychologische hulp. Pastorale- en zielzorgelijke werkers moeten zich niet proberen te ontpoppen als psychologen of zelfs als psychiaters.- tenzij een opleiding daarvoor hebben genoten.
Veel cursussen in pastoraat bevatten tegenwoordig een aanzienlijke hoeveelheid kennis uit de psychologie en zelfs de psychiatrie. Toch maakt dit van de pastor or zielzorgelijke werker geen psycholoog, psychologische therapeut of psychiater. De cursisten moeten dan ook beslist niet met een beetje kennis van psychiatrische medicijnen de lijder gaan voorschrijven wat hij wel- of niet moet innemen en hoeveel of hoe weinig; laat alles aan de behandelend geneesheer over. De pastor of de zielzorger zal, ook al is hij medisch geschoold, voor medisch advies altijd verwijzen naar de arts, bij wie de patiënt in behandeling is.
Leusden, 11 april 2001
Vragen n.a.v. dit artikel worden verwelkomd.
e-mail Pastor T. J. de Ruiter (St. CRM)